Lojong gaat niet over het vinden van je ware ik, maar over jezelf vorm kunnen geven zonder daarin te verstarren. De wereld, je omgeving en jijzelf veranderen voortdurend. Zodra je jezelf vastzet in een zelfbeeld of overtuiging — zo ben ik nu eenmaal — ontken je de beweeglijkheid van het leven. Dat wordt ‘onecht’ genoemd. Onecht is vorm die losraakt van zijn bedding. Echt is vorm die afgestemd is op de situatie.
Een situatie bestaat uit alles wat je direct ervaart: wat je ziet, hoort, proeft, denkt en voelt. Dat is de oppervlakte. Zen is een oefening om aan de oppervlakte te komen en daar te blijven. Neem de monnik die aan zenmeester Joshu vraagt: ‘Wat is de Weg?’ Joshu antwoordt met een wedervraag: ‘Heb je je rijst al gegeten?’ Als de monnik knikt zegt Joshu: ‘Was dan je kom.
Een leerling die hongerig is naar het verborgene, het mysterie wordt teruggeroepen naar wat er gewoon is, zichtbaar, zonder symbolische laag. Als je klaar bent met eten, doe je de afwas. Zenmeester Dogen zegt: ‘De werkelijkheid is niets anders dan de werkelijkheid zelf.’
Aan de oppervlakte blijven is nog niet zo makkelijk. Wie niet kan zwemmen, zinkt als een baksteen de diepte in. Laatst rende ik naar een aansluitende trein, terwijl ik me had voorgenomen dat niet te doen. Vier minuten, had ik bedacht, waren genoeg om het perron te bereiken. Maar toen eerst één en daarna meer mensen gingen rennen, voelde ik de drang om mee te gaan — en dat deed ik. Even later zat ik hijgend in de trein die, zoals voorzien, nog een paar minuten bleef staan. Ik dacht aan wat er gebeurd was en realiseerde me dat ik een keuze had in hoe ik daarop terugkeek. Ik kon aan de oppervlakte blijven en zorgvuldig kijken naar hoe de wisselwerking tussen mij en mijn omgeving zich had voltrokken, of ik kon ‘de diepte in’: mezelf afvragen waarom ik mijn voornemen niet had gevolgd, dat zien als illustratie van een patroon waarin ik dingen doe die ik eigenlijk niet wil, dat vervolgens herleiden tot bijvoorbeeld angst om er niet bij te horen, en eindigen bij de vraag waar die angst vandaan komt en hoe ik ermee om moet gaan.
Een kenmerk van diepte denken is dat je iets ziet als symbool van iets anders, iets verborgen en wezenlijks. We leven, zoals Marijke Spanjersberg beschrijft in haar boek Tussentaal, in een cultuur die geobsedeerd is door diepte. Diepte staat voor waarheid, moed, echtheid en ontwikkeling. Oppervlakkig is vaag, vluchtig, sociaal wenselijk, schijn. Diepte is goed, oppervlakkig is slecht. Zo raken we het zicht kwijt op wat zich tussen mensen afspeelt — we kijken alleen nog naar wat zich in mensen afspeelt. In onze taal zie je dat terug: we hebben heel veel woorden voor ons innerlijk leven, maar bijna geen woorden voor wat zich tussen ons afspeelt.
Een gevolg daarvan is dat, zoals Spanjersberg zegt, steeds vaker niet het probleem het probleem is, maar de persoon. Die is dan zogenaamd te onzeker, te bang, te defensief, te dominant. En die heeft de morele plicht naar zichzelf te kijken en zich te ontwikkelen tot een beter functionerend mens.
Het diepte-denken is stevig verankerd in onze cultuur. Het waardeert het zichtbare alleen als toegang tot het ‘echte’, innerlijke. Zen daarentegen is oefenen om het zichtbare zelf betekenis toe te kennen — als primaire laag van werkelijkheid. Je graaft niet dieper, maar kijkt zorgvuldiger. Je symboliseert niet, maar je bent aandachtig bij wat er is. Je zoekt niet naar wat eronder zit, maar je vertraagt bij wat zich aandient. Zenmeditatie is een oefening daarin.