Perfectie inspireert niet

Perfectie inspireert niet. Ze ontmoedigt eerder en demotiveert. Het is dan ook geen perfectie die we nastreven, geen leven zonder tegenslag. Geluk, zag de Boeddha, vind je niet in de afwezigheid van lijden, maar in de manier waarop je ermee omgaat.

Daarin kunnen we onszelf ontwikkelen. En ook daarin hoef je niet perfect te zijn. Volg de richting die je intentie je wijst, steeds opnieuw, in concrete situaties. Vaak lukt dat niet. Omdat je je intentie vergeten bent, of omdat je eerste impuls het overneemt. Die is meestal sneller dan je intentie zich kan laten gelden.

Wilskracht of discipline is hier niet het antwoord. Er is geen gebrek aan kracht, maar aan ruimte — en geduld schept die. De tijd waarin iets anders zichtbaar kan worden dan alleen je eerste impuls. De intentie waar je voor kiest, als uitdrukking van wat voor jou belangrijk is. In die zin is geduld geen morele kwaliteit, maar een functionele voorwaarde.

Leven volgens een intentie vraagt in de boeddhistische traditie om twee dingen. Allereerst de wens om jezelf te ontwikkelen. Om niet automatisch te blijven reageren, maar te zien wat er gebeurt en daar anders mee om te gaan. Dat krijgt vorm in wat de gelofte van toevlucht wordt genoemd.

Toevlucht nemen betekent hier niet dat je steun zoekt buiten jezelf. Het is een bevestiging van richting. Dat wat je zoekt, werkelijkheid kan worden. De Boeddha staat daarvoor, de dharma, de leer van de Boeddha, wijst, en de sangha — de mensen met wie je oefent — laat zien wat daarvan overeind blijft.

Want helderheid is niet betrouwbaar zolang ze alleen van jou is. Gedachten kunnen zich moeiteloos voegen naar wat je wilt dat waar is. Ze spreken je niet tegen. Ze kloppen, precies zolang je ze niet toetst.

Dat verandert zodra je ze uitspreekt. Iemand kijkt je aan en begrijpt niet wat je bedoelt. Of reageert anders dan je had verwacht. Er ontstaat frictie. Wat eerst vanzelfsprekend leek, blijkt dat niet te zijn. Jouw helderheid wordt pas zichtbaar in wat er tussen jullie gebeurt.

Persoonlijke ontwikkeling voltrekt zich daar. Niet in wat je denkt, maar in wat standhoudt in relatie. Om jezelf te kunnen zien, heb je dus de ander nodig. Maar die ander verschijnt alleen als je jezelf laat zien. Niet als idee, maar in hoe je spreekt, handelt en reageert.

Daar raakt een tweede intentie aan de eerste. Want naast de wens om jezelf te ontwikkelen, omvat de boeddhistische weg ook de intentie om te participeren in de wereld. Niet op afstand, maar middenin. Met alles wat daarbij hoort: misverstanden, fouten, onzekerheid.

Dat krijgt vorm in de bodhisattva-gelofte: de wens om bij te dragen aan het welzijn van alles en iedereen. Niet omdat je weet hoe dat moet, maar omdat je je ertoe verbindt om niet weg te stappen uit de relaties waarin je leeft.

Op het eerste gezicht lijken dit twee richtingen. Eerst jezelf ontwikkelen, en dan iets betekenen voor anderen. Maar in de praktijk laten ze zich niet scheiden. Want hoe ontwikkel je jezelf, anders dan in relatie tot anderen? En hoe draag je bij aan anderen, anders dan door de manier waarop je zelf functioneert? Je wordt geholpen om jezelf te zien. Wat je ziet, werkt door in hoe je handelt. En in de reactie daarop zie je jezelf opnieuw.

Wees degene aan wie je zelf een voorbeeld zou willen nemen. Niet perfect, maar zorgvuldig in hoe je omgaat met wat misgaat. Wat anderen raakt, is niet dat je geen fouten maakt, maar hoe je ermee omgaat als je ze maakt.

Scroll naar boven