Vaak is er niets bijzonders. Er wordt gezegd en gedaan. Er zijn geluiden, blikken, dingen die gebeuren. Je maakt er deel van uit, zonder daarover na te denken. Je reageert, luistert, beweegt mee. Dat maakt de gebeurtenis niet onbeduidend. Het kan alles zijn: ontbijt of mantelzorg, een ontspannen wandeling of een intens gesprek.
Niets bijzonders. Totdat er iets gezegd wordt — of juist niet, je een onverwacht bericht krijgt, of iets niet loopt zoals gepland. Dan kan er zomaar iets verschuiven. Iets krijgt opeens de meeste aandacht, het wordt bijzonder. Opeens gaat het over jou.
Je voelt die kanteling vaak eerst in je lichaam, als een lichte spanning of een samentrekken, iets dat zich vastzet. Vrijwel tegelijk ontstaat er een tweede beweging. Je bent niet langer alleen maar in de situatie, maar je begint er ook naar te kijken. Naar wat er gebeurt, naar wat jij doet, naar wat de ander doet. Je denkt terug, vooruit, zijwaarts. Je weegt af, vergelijkt, corrigeert. Wat had ik moeten zeggen? Wat bedoelde hij? Hoe kom ik over?
De aard van de ervaring verandert. Er ontstaat ego.
Je wordt toeschouwer.
Je kijkt naar de situatie, maar ook naar jezelf in die situatie. Die dubbele positie maakt het ingewikkeld, want ineens moet je ergens staan. Je moet jezelf begrijpen, verklaren, bijsturen. Je moet ergens iets van vinden.
En hoe subtiel ook, daarmee ontstaat afstand. Niet omdat de situatie verandert, maar omdat jij er niet meer helemaal in zit.
Wat volgt is dat je iets van de situatie probeert te maken. Je denkt erover na, praat erover met anderen of alleen met jezelf. Je trekt conclusies, stelt bij, verdedigt, relativeert, vergroot of verkleint wat er is gebeurd.
Veel van de slogans van stap 6 van de Training van de geest (Lojng) helpen je die beweging te herkennen. Doen alsof, roddelen, kwaad spreken, dingen groter maken dan ze zijn, jezelf voorbijlopen, je afsluiten, een ander vastzetten in een eenzijdig beeld, op wraak zinnen, je afreageren of genoegen scheppen in het verlies van anderen — het zijn signalen dat je ervaring gekanteld is. Dat het niet meer draait om wat er gaande is, maar om jou.
Dat is geen moreel, maar een existentieel probleem. Want zolang je er deel van uitmaakt, is er ruimte. Je kunt reageren, iets proberen, iets laten. Je hoeft het niet eerst te begrijpen om te kunnen handelen. Maar zodra je erbuiten staat, verandert dat. Je raakt verstrikt in wat het betekent, in wat het zegt over jou of over de ander, in hoe het had moeten zijn of hoe het anders zou moeten worden.
Terwijl je probeert grip te krijgen, wordt je bewegingsruimte kleiner. Niet omdat er minder mogelijk is, maar omdat je er niet meer middenin staat.
De uitnodiging van stap 6 is subtiel. Niet: wees anders. Niet: doe het beter. Maar: zie waar het kantelt. Zie het moment waarop een situatie, die eerst gewoon een situatie was, verandert in iets dat over jou gaat. En kijk wat er gebeurt als je daar niet meteen in meegaat. Als je, al is het maar heel even, stopt met kijken naar jezelf in de situatie en terugkeert naar de situatie zelf.
Naar wat er gezegd wordt, naar wat er gebeurt, naar wat dit moment vraagt. Niet als toeschouwer, maar als deelnemer. Daar zit geen groot inzicht in en geen antwoord dat alles oplost, maar wel iets anders: ruimte.
En vanuit die ruimte ontstaat weer beweging. Misschien iets kleins. Een vraag stellen. Iets laten rusten. Iets zeggen wat je niet had voorbereid. Of eenvoudigweg aanwezig blijven, zonder meteen te hoeven begrijpen wat het betekent.
Je hoeft niet eerst uit te zoeken wie je bent in deze situatie.
Je kunt terugkeren.
En weer instappen.