Je neemt je voor om deze keer toch echt geduldig te blijven en nog geen tien minuten later voel je je bloed koken. Je neemt je voor om niet te oordelen en voor je het weet gaat er een golf van afkeer door je heen. Je neemt je voor om je belangeloos in te zetten en gaandeweg merk je dat je toch teleurgesteld raakt omdat je te weinig waardering krijgt.
Wat gebeurt er op zo’n moment?
Misschien herken je het volgende riedeltje:
Dit had ik niet moeten doen.
Zie je wel, ik kan dit nog steeds niet.
Ik moet beter mijn best doen.
Als je goed luistert hoor je daar twee stemmen in. De ene zegt: Ik moet een goed mens zijn. De andere zegt: Ik moet beter mijn best doen.
In die eerste stem klinkt een ideaalbeeld mee. Het beeld van wie je denkt te moeten zijn.
Tussen wie je bent en wie je denkt te moeten zijn zit veel ruimte. En bijna automatisch probeer je die kloof te dichten. Door strenger te zijn. Harder te oefenen. Jezelf scherp te houden met zelfverwijt. Of door te doen alsof het eigenlijk best goed gaat.
Precies daar krijgt schijnheiligheid voet aan de grond. Schijnheiligheid is het krampachtig hoog houden van een ideaalbeeld. Het beeld van wie je zou moeten zijn. En hoe sterker dat beeld, hoe groter de neiging om jezelf te corrigeren of te verbergen.
Slogan 36 – Wees niet schijnheilig – klinkt misschien als een morele aansporing. Alsof je wordt opgeroepen om consistenter te zijn, eerlijker, beter. Maar misschien wijst ze in een andere richting.
Niet: Wees goed.
Maar: Wees echt.
En misschien nog een stap verder: zie af van het ideaalbeeld. Zie af van het streven om heilig te worden. Zelfs van het streven om echt te zijn.
Dat betekent niet dat je geen intenties meer hebt. Niet dat zorg of verantwoordelijkheid er niet meer toe doen. Het betekent alleen dat je ophoudt jezelf te repareren.
Misschien hoef je niet gerepareerd te worden. Misschien hoef je alleen te stoppen met repareren. En te werken met wat er is.
Reflectievraag
Welk idealbeeld vraagt jou het meest om reparatie?