“Zie je wel.”
“Dat krijg je ervan.”
“Nu krijgt hij wat hij verdient.”
Gedachten die zomaar voorbij kunnen komen wanneer iemand anders in de problemen komt, een plan mislukt, een relatie stukloopt of iemand zijn baan of positie verliest. Niet iets om hardop uit te spreken. Ze blijven ergens binnen, als een klein moment van opluchting. Alsof er in de wereld iets weer een beetje recht wordt gezet.
Die opluchting heeft minder met kwaadwillendheid te maken dan met onze neiging om ons met anderen te vergelijken. Zonder dat we er echt bij stilstaan, maken we voortdurend kleine afwegingen. Wie heeft meer succes? Wie krijgt meer erkenning? Wie is moreel rechtschapen? Wie lijkt rustiger, wijzer, verder op het pad? En ook: wie niet.
Het liefst bevinden we ons ergens boven het midden. Niet te hoog, want wie hoog staat kan ver vallen. Niet te laag, want dat voelt ongemakkelijk. Dus zoeken we een plek waar nog een paar mensen boven ons staan en wat meer onder ons. Van daaruit kun je omhoog kijken zonder je mislukt te voelen en omlaag zonder dat je meteen de bodem raakt.
Misschien verklaart dat waarom het struikelen van een ander soms een vreemd soort verlichting kan geven. Niet omdat hun ongeluk werkelijk plezier doet, maar omdat de ladder een beetje verschuift. Iemand die boven je stond zakt een trede. Of iemand onder je bevestigt dat jouw plek nog steeds klopt. Het voelt alsof er iets wordt rechtgezet, terwijl er in werkelijkheid alleen iets verandert aan de ladder waarop we staan.
Staande op zo’n ladder wordt de ander al snel een referentiepunt: iemand boven je, iemand onder je, iemand die je positie bevestigt of bedreigt.
De vraag verschuift ongemerkt van: wat gebeurt hier? naar: waar sta ik?
Zo verandert de wereld ongemerkt in een rangorde en iedere ontmoeting in een kleine meting.
Waar sta ik?
Stabiliteit is dan moeilijk te vinden. Er is altijd wel iemand die slimmer is, invloedrijker of succesvoller. En er is ook altijd iemand die minder heeft of kan. De balans moet voortdurend opnieuw worden gevonden. Gaandeweg zien we steeds minder wat er werkelijk gebeurt en steeds meer de verschillen die relevant zijn voor onze positie. De werkelijkheid wordt gereduceerd tot één vraag: wat zegt dit over mij?
Vergelijking richt de aandacht op identiteit, terwijl groei juist plaatsvindt in betrokkenheid. Betrokkenheid stelt een andere vraag. Niet: waar sta ik? maar: wat vraagt dit moment? En met het verschuiven van de vraag verandert de ander van referentiepunt in een deelnemer aan dezelfde situatie.
‘Verheug je niet in andermans ongeluk’, luidt slogan 38 van Lojong. Ontleen je zelfbeeld niet aan de vergelijking met anderen.
Dat klinkt eenvoudig, maar het raakt precies de grond waarop de ladder staat. Zolang onze positie afhangt van hoe anderen het doen, blijft hun geluk een beetje bedreigend en hun ongeluk een beetje geruststellend.
Dat maakt het interessant om met het tegendeel te oefenen: verheug je in andermans geluk. Kun je oprecht blij zijn om geen andere reden dan dat een ander blij is?
Als je dat werkelijk bent, gebeurt er iets merkwaardigs. Hun geluk verlaagt jouw positie niet. Er verschuift niets op de ladder, omdat die ladder er op dat moment eenvoudigweg niet meer staat. En misschien voel je opnieuw een soort opluchting. Alleen hoeft er deze keer niemand voor te struikelen.